De gevoelenthermometer
Onze jongeren met ASS hebben het vaak zo moeilijk dat het op bepaalde momenten echt te veel wordt. Velen klappen dan volledig dicht. Het is heel moeilijk om dan uit te maken wat de problemen zijn. Gevoelens verwoorden is zo wie zo enorm moeilijk voor hen. De gevoelenthermometer kan op zo’n moeilijk moment een hulpmiddel zijn om concrete situaties op een rijtje te zetten : het leukste bovenaan en het aller-moeilijkste onderaan. Daarna kunnen er omschrijvingen gezocht worden voor de gevoelens.
Dit kan zelfs zonder dat de jongere iets moeten zeggen. De begeleider plaats situaties en de jongere verschuift ze op de juiste plaats. Via de computer kan de jongere ook mee intypen.
Op deze manier krijgen ze zelf ook een goed zicht op de problemen, op de leuke dingen en op de koppeling naar hun gevoelens toe.
De GOn-begeleiding
Zowel een leerkracht, kinesitherapeut, logopedist, ergotherapeut, orthopedagoog, psycholoog, arts, verpleger, kinderverzorgers als maatschappelijk werker kunnen GOn– hulp bieden. Deze mensen dienen minstens één jaar Buitengewoon Onderwijs – ervaring te hebben. In praktijk blijkt dat dit niet altijd haalbaar is, al probeert men hier intern vaak aan te werken.
GOn–hulp omvat onderwijskundige, (para)medische, psychologische, orthopedagogische en/of sociaal – emotionele hulp. GOn is geen bijles en staat steeds in functie van het optimaliseren van de onderwijsleersituatie. Er zijn verschillende soorten hulp:
Bij leerling-gerichte hulp spreekt men van rechtstreekse ondersteuning van de GOn leerling door middel van onderwijskundige, paramedische en sociaal – emotionele hulp.
De leerkrachtgerichte hulp richt zich dan weer op de begeleiding van het personeel van de gastschool. Dit omvat:
- Informeren en sensibiliseren over het GOn en de problematiek van de betreffende leerling aan de leerkracht.
- Het bekwamer en competenter maken van de gastschool om zo adequater om te gaan met de specifiek afwijkende hulpvragen van de leerling. Dit door middel van advies, info-overdracht, tips, coaching, overleg en collegiale consultatie.
- Leerkrachten leren werken met aangepast materiaal.
- Op zoek gaan naar de beste plaats in de klas voor de GOn – leerling.
- Het emotioneel ondersteunen van de leerkracht in zijn omgang met de leerling met een handicap. Bijvoorbeeld: onzekerheden in lichamelijk contact.
Onder de vorm van teamgerichte hulp biedt de GOn begeleider ondersteuning aan het team. Dit door het schoolteam, samen met de directie van de gewone school, te informeren over het GOn en de GOn–leerling in hun school. Men zoekt samen naar oplossingen zoals aanpassingen in de infrastructuur, aanleggen van een hellend vlak,… Tevens gaat de GOn – begeleider samen met de leerkracht van het gewoon onderwijs op zoek naar een wijze om de klasgroep te informeren en voor te bereiden op de komst van de GOn–leerling.
Gezinsgerichte hulp omvat concreet pedagogisch advies over dagelijkse opvoeding en begeleiding van het kind, alsook de informatie in verband met de handicap en eventuele hulpmiddelen.
Als laatste item tracht men samen school te maken. Dit is het creëren van een samenwerkingsverband tussen het gewoon en Buitengewoon Onderwijs. Het Buitengewoon Onderwijs stelt zijn deskundigheid en ervaring ten dienste van het gewoon onderwijs met het oog op zorgverbreding en –verdieping van de gewone school.
Voordelen en nadelen
VOORDELEN |
NADELEN |
Voor de leerling |
|
|
|
Voor de leerkracht van het gewone onderwijs |
|
|
|
Voor de GOn – begeleider |
|
|
|
Tabel 2: voor- en nadelen van het Geïntegreerd Onderwijs
Leerzorg
Deze informatie is afkomstig uit “symposium Geïntegreerd en Inclusief Onderwijs” Hogeschool Gent, departement Gezondheidszorg’, Gent 20 april 2007. Toespraak Frank Vandenbroucke, Vlaams minister van Onderwijs en Vorming.
Men pleit al tien jaar lang voor verandering in het onderwijs voor jongeren met specifieke opvoedings- en onderwijsbehoeften. Verschillende redenen zijn hier aan te wijzen:
- De toegenomen vraag vanuit het gewoon onderwijs om zorgleerlingen meer adequaat op te vangen. Ouders willen meer dan vroeger dat hun kind met een beperking les kan volgen in een gewone school.
- De huidige types en het systeem in het Buitengewoon Onderwijs zijn niet feilloos:
- Leerlingen met autisme of een meervoudige beperking vinden geen plaats in de typologie.
- Het aanbod in het Buitengewoon Onderwijs is niet evenwichtig gespreid. Leerlingen moeten lang op de bus zitten en daarom zijn sommige ouders gedwongen om te kiezen voor internaat.
- De verwijzingen van leerlingen naar het Buitengewoon Onderwijs moeten meer eenvormig, handelingsgericht en transparant gebeuren. Het doorverwijzen van leerlingen naar het Buitengewoon Onderwijs heeft vooral te maken met de ondersteuning die de oorspronkelijke school niet kan bieden. Ouders voelen zich weinig betrokken bij de doorverwijzing van hun kind.
- We kunnen niet naast internationale ontwikkelingen kijken. De conventie van de Verenigde Naties, die op 13 december 2006 is goedgekeurd, verplicht landen om de deelname van personen met een handicap in alle domeinen van de samenleving mogelijk te maken. Een belangrijk onderdeel hiervan is het breder opstellen van het gewoon onderwijs voor leerlingen met een handicap.
Strategische doelstellingen leerzorg
- Het bestaande zorgaanbod in het gewoon en Buitengewoon Onderwijs beter beschrijven. Men plaatst alles binnen éénzelfde kader, zo kan men het aanbod aanvullen en verbeteren waar nodig.
- Leerzorg is een nieuwe bril om te kijken naar het onderwijs en de zorg voor de leerlingen met specifieke onderwijs- en opvoedingsmogelijkheden. De overstap naar een school op maat, wordt bijgestuurd door de eenvormigheid en helderheid te verhogen.
- Nieuwe ontwikkelingen stimuleren door leerlingen die nood hebben aan een individueel leertraject in te schrijven in een gewone school.
- Het Buitengewoon Onderwijs verbreden.
- Geleidelijk aansluiting zoeken bij internationale trends in het omgaan van samenlevingen met beperkingen.
Leerzorgmatrix
Het leerzorgkader is gebaseerd op twee invalshoeken namelijk leerzorgniveaus en clusters. Een matrix ontstaat door leerzorgniveaus en clusters met elkaar te combineren.
Binnen het leerzorgniveau heeft men te maken met de aanpassing van de onderwijsomgeving aan de noden van de leerling. Aanpassingen hebben hier betrekking op de aard van het onderwijsaanbod, de pedagogisch – didactische aanpak, de aard van de intensiteit van de ondersteuning en de inzet van personele en materiële middelen. Er wordt resoluut gekozen voor een onderwijskundige benadering. Er zijn vijf leerzorgniveaus:
- Leerzorgniveau 1: centraal staan preventie, differentiatie, remediëren en het gebruik van compenserende maatregelen. Dit leerzorgniveau wordt aangeboden in een school voor gewoon onderwijs.
- Leerzorgniveau 2: aanpassingen worden in overleg met de ouders en het CLB vastgelegd in een gemotiveerd verslag, bijvoorbeeld een loep bij gezichtsstoornissen. Ook dit wordt aangeboden in een school voor gewoon onderwijs.
- Leerzorgniveau 3: De leerling kan les volgen in het Buitengewoon en gewoon Onderwijs. Men volgt een individueel curriculum en er wordt gewerkt op basis van een handelingsplan. Centraal staan de individuele doelen.
- Leerzorgniveau 4: Ook hier werkt men op basis van een handelingsplan, individuele doelen en een individueel curriculum. Het verschil met niveau drie is dat de leerling Buitengewoon Onderwijs volgt.
Door het werken met ruime clusters kunnen scholen voor Buitengewoon Onderwijs zich voor een bredere groep van leerlingen openstellen. Jongeren met specifieke noden kunnen zo dichter bij huis geschikt onderwijs vinden. We onderscheiden vier clusters die de acht types van het Buitengewoon Onderwijs vervangen:
- Cluster 1: leerlingen zonder problemen en leerlingen met problemen die het gevolg zijn van tijdelijke situaties, persoonlijke kenmerken of herkomst.
- Cluster 2: leerlingen met leerbeperkingen. Er zijn twee doelgroepen:
- een licht mentale stoornis
- leerstoornissen en/of aandachtstekortkomingen.
- Cluster 3: leerlingen met functiebeperkingen.
- Matige, ernstige of diepe stoornis op gebied van verstandelijk functioneren en sociaal aanpassingsgedrag en kleuters met ernstige ontwikkelingsstoornissen. Dit is het huidige type 2.
- Leerlingen met een lichamelijke stoornis. Dit is het huidige type 4.
- Blinde en slechtziende leerlingen. Dit is het huidige type 6.
- Dove en slechthorende leerlingen. Dit is het huidige type 7.
- Kleuters met spraak- en taalontwikkelingsstoornissen.
- Cluster 4: leerlingen met participatieproblemen in het onderwijs die een gevolg zijn van gedrags- en/of emotionele stoornissen of autismespectrumstoornissen. Ook hier zijn 2 doelgroepen:
- Leerlingen met gedrags- en/of emotionele stoornissen
- Leerlingen met autismespectrumstroonissen
Ondersteuning en Geïntegreerd Onderwijs
Leerzorgniveau 1:
Om problemen bij het leren te voorkomen, voert de school een zorgbeleid en een gerichte praktijk uit. Wanneer een leerling problemen krijgt, gaat het schoolteam na hoe het leerproces bijgestuurd kan worden door te definiëren, remediëren en compenseren. In scholen voor het gewoon onderwijs komen dus meer zorgcoördinatoren.
Leerzorgniveau 2:
Net als niveau 1 blijven ook hier de leerlingen het gewone curriculum volgen. Dit is mogelijk voor de leerling door te compenseren en te dispenseren. Hierbij worden leerdoelen die hinderpalen vormen voor de leerling vervangen door andere doelen. De klassenraad beslist hier niet langer over maar dit gaat gebeuren aan de hand van een gemotiveerd verslag. Dit verslag beschrijft de aanpassingen die nodig zijn en tevens verantwoorden de school en het CLB waarom hulp en interventies in het eerste leerzorgniveau niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. We zien op dit niveau ook de kans voor de samenwerking tussen het gewoon en Buitengewoon Onderwijs. De GOn ondersteuning is hier een voorbeeld van. Verwacht word dat de meeste GOn–leerlingen ingeschakeld zullen worden op dit niveau. Tevens zal het GOn–verslag vervangen worden door een gemotiveerd verslag. Zeer belangrijk is dat de huidige GOn–begeleiders kunnen doorgaan met hun werk.
Leerzorgniveau 3 en 4:
Hier werkt men op basis van een individuele handelingsplanning. Het schoolteam ontwikkelt samen met ondersteuning van het Buitengewoon Onderwijs competenties voor het opstellen van handelingsplannen. Als de gewone school een leerling inschrijft, dan kunnen ze onmiddellijk rekenen op een leerlinggebonden financiering voor de organisatie van de nodige ondersteuning. Er dienen zich dus nieuwe mogelijkheden aan voor scholen van Buitengewoon Onderwijs door de versterking en uitbreiding van het GOn. De leerling-gebonden financiering is gelijk voor gewoon of Buitengewoon Onderwijs.
De invoering van leerzorg.
- fase 0: de voorbereiding
- Tegen het najaar van 2008 wil men een leerzorgdecreet hebben. Tevens wil men nu al starten met de voorbereidingen om tot een objectieve set van criteria te komen bij de inschakeling van leerlingen. De CLB ’s zullen deze set hanteren.
- Fase 1: 2009-2011
- De onderdelen van leerzorg treden in werking. Deze sluiten dicht aan bij de praktijk. Tevens voert men het gemotiveerd verslag in dat de overgang van leerzorgniveau 1 naar 2 vastlegt.
- In deze fase start men met de verbreding van het aanbod in het Buitengewoon Onderwijs.
- Op basis van vrijwilligheid gebeurt de inschrijving van leerlingen op leerzorgniveau 3 in het gewone onderwijs.
- Fase 2: 2011-2014
- Het behouden van de vrijwillige inschrijving van leerlingen op leerzorgniveau 3 in het gewone onderwijs.
- Het plannen van nieuwe evaluatiemomenten.
- Het komen tot een verbreding en verdieping van het aanbod in het Buitengewoon Onderwijs. Dit op basis van een decretale kader en via een planningsprocedure.
- Fase 3: 2016
- Het komen tot de invoering van het recht tot inschrijving van leerlingen op leerzorgniveau 3 in het gewone onderwijs. Dit met garantie van draagkrachtafweging voor individuele scholen.

Lied over de liefde die wij allemaal voelen voor onze ‘wonderbaarlijke’ kinderen: Voel wat ik voel voor jou…
Disclaimer | Webmaster



